SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
SDS info (voor donateurs)SDS persberichten

Fotoalbum

Moeilijk gedrag: ABC-analyse
Het is belangrijk bij gedrag dat je als opvoeder als onwenselijk ervaart, goed te kijken naar wat er precies gebeurt in zo’n situatie. Als dit heel systematisch wordt gedaan, heet dat een ABC-analyse. Een orthopedagoog of psycholoog kan dit uitvoeren. Je kunt het echter eventueel ook zelf doen. Een duidelijke brochure met informatie hierover met de titel ”Het moet ophouden” kun je hier downloaden.
Alvorens je een ABC-analyse maakt, moet je wel nagaan of er geen medische problemen zijn, want deze kunnen (door pijn of vermoeidheid of door uitval van zintuigen, bijvoorbeeld gehoorverlies) een rol spelen bij het ontstaan van moeilijk gedrag. Medische problemen moeten worden onderkend en behandeld. Daarnaast kunnen natuurlijk ingrijpende levenservaringen (verhuizing, nieuwe school, overlijden of ziekte van naasten, echtscheiding van ouders) een weerslag geven op het gedrag van een kind.
Ook zonder een helemaal uitgewerkte ABC-analyse, kan het nuttig zijn om te leren denken in de achterliggende ideeën. Hieronder volgt een uitleg.
De A staat voor ‘Antecedents’, dat zijn de gebeurtenissen die vooraf zijn gegaan aan het ongewenst gedrag. Als je eigenlijk kunt voorspellen wanneer je kind een bepaald ongewenst gedrag waarschijnlijk gaat vertonen (bijvoorbeeld: driftbuien, niet meewerken bij verzoeken, anderen pijn doen, weglopen, vaak gooien met spullen, e.d.), dan heb je blijkbaar enig inzicht in de antecedenten of aanleidingen voor het gedrag. Dat kan inzicht geven in de functie van het gedrag voor het kind. Bijvoorbeeld, soms gaat een kind dwars gedrag vertonen als hij wordt overprikkeld (door bijvoorbeeld te veel geluiden) of als hij wordt overvraagd of als hij juist wordt ondervraagd en zich verveelt. Als je de aanleidingen kent, dan kun je die soms ook veranderen. Je kunt te drukke situaties vermijden of het kind voorzichtig leren te wennen aan een drukkere situatie. Je kunt een minder hoge eis stellen of toch vasthouden aan de eis, maar meer hulp geven. Of, als verveling de wortel van het probleem is, dan kun je je kind juist meer stimuleren. Wat je precies moet doen, kan dus verschillen. Daarom is het zo belangrijk om goed naar de aanleidingen te kijken.
De B staat voor ‘Behaviour’, het (ongewenste) gedrag dat het kind vertoont. Het is belangrijk om een goed beeld te hebben van wat het kind nu precies doet en hoe vaak dat gebeurt. Soms hebben mensen een te vaag en erg emotioneel geladen idee daarover, waardoor ze ook niet meer weten of het erger wordt, gelijk blijft of verbetert. Ook verliezen ze soms uit het oog dat er heel veel momenten zijn dat het kind zich goed gedraagt. Het is belangrijk voor dat laatste oog te hebben, want dat is het gedrag dat je wilt stimuleren. Er is nog een andere reden om preciezer te kijken. Het is namelijk ook mogelijk dat het kind ongewenst gedrag vertoont, omdat het eenvoudigweg geen alternatief heeft geleerd. Het aanleren van alternatief gedrag is dan de ingang voor verandering. Bijvoorbeeld als een kind contact zoekt maar dat doet door hard te duwen of haren te trekken, dan kan het wellicht leren om in plaats daarvan contact te zoeken door iemand zachtjes op de schouder te tikken.
Ook kun je kijken of je ongewenst gedag kunt vervangen door ander minder ongewenst gedrag dat daarmee niet verenigbaar is. Als een kind bijvoorbeeld haren bij zichzelf uittrekt, dan kun je proberen dat af te leiden met trekken aan een koordje. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd met een koordje spelen en aan je haren trekken.
De C staat voor ‘Consequences’, de reacties op het gedrag. Dit is vaak een belangrijke sleutel. Een kind vertoont (ongewenst) gedrag meestal ofwel om iets te vermijden (situaties of eisen) ofwel om iets te verkrijgen (spullen, eten, drinken, activiteiten of aandacht). Bijvoorbeeld, als het kind probeert te ontsnappen aan eisen (en het zijn wel redelijke eisen waaraan het zou kunnen voldoen, want anders kun je beter je eisen bijstellen) en het effect van zijn (dwarse) gedrag is dat de opvoeder het laat zitten, dan leert het kind dat zijn (dwarse) gedrag loont. Je kunt dan na verloop van tijd een manipulatief en verwend prinsje of prinsesje kweken. Wat betreft het verkrijgen van aandacht, als een kind graag aandacht van volwassenen krijgt, dan vinden veel kinderen negatieve aandacht ook prima. Zowel positieve als negatieve aandacht kan dus als beloning werken. Onbewust zijn opvoeders soms in de val gelopen dat zij negatief gedrag belonen door er veel (vaak negatieve) aandacht aan te geven, terwijl zij positief gedrag nauwelijks belonen. Let daar goed op. Het positief belonen van gewenst gedrag, en het negeren van ongewenst gedrag, kan soms heel effectief zijn. Let er daarbij wel op dat je als opvoeder niet de enige bent die op het kind reageert. Als je als ouder of als peuterleid(st)er ongewenst gedrag negeert, maar de andere kinderen in die situatie reageren er wel op met (negatieve of positieve) aandacht, dan wordt het dus niet genegeerd, maar nog steeds versterkt. Dan werkt het negeren door de opvoeder niet. Je zult dan ook de andere kinderen moeten coachen in hun reacties, als dit mogelijk is.
Als negeren niet helpt (maar je moet dat wel minstens een paar dagen consequent volhouden) of niet mogelijk is in de gegeven situatie, dan kan een meer ingrijpende maatregel nog zijn om een kind dat zich ongewenst gedraagt een korte periode apart te zetten (het ‘stoutstoeltje’), eventueel daarbij het kind fysiek tegen te houden als het anders niet blijft zitten, zonder daarbij echter oogcontact te maken of tegen het kind te praten (anders levert het alsnog veel aandacht op). Maar, houd die periode echt kort (een halve minuut kan al genoeg zijn) en zorg ervoor dat het meteen volgt op het ongewenste gedrag (anders legt het kind geen verband tussen het apart gezet worden en het ongewenste gedrag). En, heel belangrijk: ga nooit alleen maar negatief gedrag bestrijden. Zet vooral ook in op het belonen van positief gedrag.
Bovendien: je moet wel redelijk zeker weten dat het gedrag van het kind niet een reactie is op te hoge eisen of overprikkeling door te veel indrukken, want dan zal negeren of het ‘stoutstoeltje’ niet gaan helpen (zie bij de A van Antecedenten hierboven). Dan zullen de eisen of de situatie moeten worden veranderd.
Of algemene tips van toepassing zijn op de unieke situatie van je kind, kun je als ouder uiteindelijk alleen zelf beoordelen. Bij gedragsproblemen van het kind zou je als opvoeders om de tafel kunnen gaan om samen te brainstormen. Gebruik daarbij eventueel als achterliggend kader het ABC-schema. Bepaal ook je prioriteiten. Vaak zijn er meerdere ongewenste gedragingen. Bepaal welke problemen echt acuut zouden moeten worden aangepakt. Denk bij het zoeken naar oplossingen breed en wees creatief. Ga ook na of er wellicht (al dan niet onderkende) medische problemen spelen, want soms komen daar gedragsproblemen vandaan. Een kind dat bijvoorbeeld oorpijn heeft of door een medisch probleem vaak moe is, zal zich moeilijker kunnen gaan gedragen.

Reacties plaatsen niet mogelijk