SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
 SDS info (voor donateurs) SDS persberichten

Fotoalbum

Omgang jongeren en volwassenen met DownSyndroom

Een handreiking voor MEE-werknemers, Ambulant begeleiders, vrijwilligers, etc

Bij de helpdesk van de Stichting Downsyndroom (SDS) krijgen wij met enige regelmaat de vraag om richtlijnen voor de omgang met jongeren en volwassenen met Downsyndroom.
Hier volgt een handreiking in tien punten.

1. Personen met Downsyndroom zijn niet allemaal hetzelfde. De verschillen kunnen zelfs heel groot zijn, met name bij: het begrijpen van taal, spreken en zelfredzaamheid.
* Dus: sommigen begrijpen vrijwel alles van wat er om hen heen wordt gezegd, kunnen zich met spraak duidelijk uitdrukken en hebben weinig of geen hulp nodig bij aankleden, wassen, toiletgang e.d.
* Voor het merendeel zal gelden dat zij in ieder geval gesproken taal over onderwerpen waarmee zij enigszins bekend zijn – wanneer je niet te lange zinnen gebruikt – zullen begrijpen, dat zij met wat geduld van de luisteraar kunnen duidelijk maken wat zij bedoelen, en dat zij hooguit beperkt toezicht of hulp (bijvoorbeeld bij moeilijke sluitingen) nodig hebben bij zelfredzaamheid.
* Maar, er zijn er ook die slechts een klein aantal vaste woorden in vaste situaties kunnen begrijpen, niet of nauwelijks spreken of alleen een paar gebaren kennen, en bij alle zelfredzaamheidshandelingen veel hulp nodig hebben.
Er is sprake van individuele profielen van sterke en zwakke gebieden. Dus het kan voorkomen dat een persoon bijvoorbeeld goed kan spreken, maar in zijn handen motorisch zo zwak is dat hij bij bepaalde zelfredzaamheidsvaardigheden hulp nodig heeft. Of andersom: het kan dat iemand nauwelijks spreekt, of heel erg moeilijk verstaanbaar spreekt, maar zich wel prima redt qua zelfhulp.

2. Gehoorverlies komt heel erg vaak voor bij jongeren en volwassenen met Downsyndroom. Los daarvan hebben ook mensen met Downsyndroom met een goed gehoor toch vaak moeite om in een ruimte met veel geluiden de informatie die voor hen bedoeld is te selecteren. Al met al betekent dit dat instructies aan een groep lang niet altijd aankomen bij de persoon met Downsyndroom. Probeer voordat je gaat spreken oogcontact te maken; zorg dat de persoon met Downsyndroom niet te ver van de spreker zit; spreek in niet al te lange zinnen; vat eventueel de belangrijkste informatie samen in een paar duidelijke steekwoorden; maak zo mogelijk wat je wilt vertellen ook zichtbaar (gebaren; tekeningen of woorden op een flap-over; e.d.). Vertel zo nodig wat je aan de groep hebt verteld nog een keer kort individueel aan de persoon met Downsyndroom. Laat zo mogelijk de persoon met Downsyndroom de belangrijkste informatie hardop herhalen in een paar steekwoorden.

3. Personen met Downsyndroom hebben vaak wat meer tijd nodig om informatie die zij hebben gehoord te verwerken. Zij reageren hierdoor soms met enige (5 tot wel 20) seconden vertraging op een vraag of in een gesprek. Maar, wil de persoon met Downsyndroom kunnen reageren, dan moet de gesprekspartner die persoon wel die extra tijd geven. Als een gesprekspartner deze vertraging niet kent, dan concludeert deze vaak ten onrechte dat de boodschap niet is begrepen en gaat hij de stilte snel opvullen. Dat werkt niet: dan valt het gesprek dood. Dit is dus echt cruciaal: geef de persoon met Downsyndroom meer tijd om tot een reactie te komen. Wacht na een vraag of in een gesprek langer op een reactie.

4. Over het algemeen begrijpen mensen met Downsyndroom meer taal dan je zou verwachten op grond van de manier waarop zij spreken. De spraak is meestal minder goed ontwikkeld dan het woordbegrip en het begrip van korte zinnen. Iemand die heel weinig of heel moeizaam spreekt, maakt als snel de indruk bij anderen dat hij of zij ook heel weinig zal begrijpen. Dat hoeft dus helemaal niet zo te zijn. Zo lang je in niet al te lange zinnen spreekt, wordt er vaak veel wel begrepen.

5. Geef bij het aanleren van iets nieuws niet te veel informatie in één keer. Als je alle stappen in één keer uitlegt, heb je grote kans dat mensen bij het eind al vergeten zijn wat het begin was. Vaak kun je beter één stap vertellen, of nog beter laten zien, en dat dan gaan laten doen. Op het moment dat die stap dan lukt, ga je de volgende stap uitleggen. Je kunt eventueel wel het geheel laten zien aan het begin (dan weten de mensen waar je naar toe werkt – en dat kan motiverend zijn), maar dan begin je daarna toch met de eerste stap nog een keer voordoen en inoefenen.
Ook bij opdrachten kan het zijn dat meervoudige opdrachten (ga eerst A doen, en dan B, en dan C) niet goed werken. Je kunt dan de meervoudige opdracht uit elkaar halen. Je laat iemand eerst A doen, en pas als dat klaar is, geef je opdracht B. Een andere mogelijkheid is werken met een visueel schema (met een paar woorden, of tekeningen/ foto’s/ picto’s) achter of onder elkaar geplaatst. Dan kan iemand zelf A (woord of tekening/ foto/ picto) afstrepen, en dan B gaan doen.

6. Mensen met Downsyndroom verwerken en onthouden visuele informatie vaak beter dan informatie die zij alleen hebben gehoord. Maak daarom gebruik van visuele schema’s met woorden (voor degenen die kunnen lezen), tekeningen/ foto’s/ picto’s. Dat kan bij instructies, bij opdrachten, en om een dag- of weekoverzicht te geven.

7. Kondig gebeurtenissen en activiteiten duidelijk aan. Zorg dat de persoon weet wat er gaat gebeuren, niet in alle details, maar wel zo dat hij of zij het gevoel houdt vat te hebben op de structuur van een dag. Bij onverwachte wijzigingen in het schema moet je dit goed individueel even uitleggen. Dat wordt nogal eens vergeten (en let wel: terloopse boodschappen aan de groep komen lang niet altijd binnen bij de persoon). En dan kun je ‘dwars’ gedrag krijgen, omdat iemand eigenlijk niet meer begrijpt wat hem of haar overkomt.

8. Probeer de persoon met Downsyndroom zo leeftijdadequaat mogelijk te bejegenen. Dus: geen kleutertoontje aanslaan tegen iemand van bijvoorbeeld 20 jaar oud. Ga ook niet in verkleinwoordjes spreken. U mag wel eenvoudiger spreken, met name kortere zinnen gebruiken, maar u heeft wel iemand van een bepaalde kalenderleeftijd tegenover u, met daardoor een bepaalde levenservaring. Een twintigjarige met een ‘verstandelijke leeftijd’ van vijf jaar, is geen kleuter, maar een volwassene – weliswaar een volwassene met beperkte abstracte denkvaardigheden, maar geen kleuter!

9. Geef grenzen aan bij ongepast gedrag. U hoeft niet alles maar goed te vinden omdat de persoon Downsyndroom heeft. Het zo maar zoenen of knuffelen van wildvreemde mensen is bijvoorbeeld, in de meeste situaties, geen gepast gedrag.

10. Doe zo gewoon mogelijk.

Reacties plaatsen niet mogelijk