SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
 SDS info (voor donateurs) SDS persberichten

Fotoalbum

Praktische inzet

Hoe moeten nu de extra middelen vanuit SWV en vanuit Jeugdwet (of soms WLZ) worden aangewend? Dit hangt af van de afspraken die hierover zijn gemaakt binnen het SWV. Vrijwel altijd kan er geld worden besteed aan directe extra ondersteuning van de leerling met Downsyndroom. Vaak worden daarbij de uren, of soms ook een deel van de uren, ingevuld door iemand uit het eigen team, soms door iemand vanuit het SWV. Dat kan bijvoorbeeld een remedial teacher zijn, een gewone leerkracht, een onderwijsassistent of een klassenassistent, afhankelijk van de afwegingen van de school ten aanzien van deskundigheid en ten aanzien van het benodigde aantal uren (een assistent is goedkoper dan een leerkracht). Soms wordt ook wel gebruik gemaakt van de inzet van mensen van buiten de school (vanuit het SWV of vanuit een zorginstelling), betaald uit het onderwijsarrangement en/of de Jeugdwet/WLZ.

De directe ondersteuning van de leerling met Downsyndroom is idealiter goed gespreid over de schoolweek. Het kan gebruikt worden voor korte perioden van zeer gerichte één-op-één instructie, maar het kan ook worden ingezet voor extra instructie of ondersteuning in de klas, of voor een combinatie van beide zaken. Voordeel van korte perioden één-op-één werken buiten de klas is de intensiteit van instructie en concentratie die dan kan worden opgebouwd. Voordeel van hulp in de klas is het feit dat het kind daardoor meer in de klas kan blijven, minder mist van het klassengebeuren en er voor zichzelf en de klasgenoten meer bij hoort.

Een andere optie is nog het volgende: sommige scholen kiezen ervoor om op bepaalde momenten in de klas extra te werken met een klein groepje ‘zwakke’ leerlingen, waaronder het kind met Downsyndroom. Dat kan een win-win situatie zijn. De leerling met Downsyndroom wordt niet als enige apart genomen én de extra middelen voor de leerling met Downsyndroom komen ook ten goede aan andere leerlingen. Met name in die situatie is zeer goed ‘rolwisseling’ mogelijk, waarbij de extra leerkracht de hele groep overneemt en de eigen groepsleerkracht eindelijk de tijd krijgt om zich grondig te verdiepen in de leerproblemen van de leerlingen aan de onderkant van de schaal. Dat kan zelfs al terwijl er een stagiaire van de PABO voor de groep staat. (Sterker nog: dat kan ook al zonder extra formatie uit de ‘Rugzak’) Daar heeft de groepsleerkracht dan de hele verdere week, wanneer het kind niet (bijna) één op één begeleid wordt, voordeel van.

Het is belangrijk dat een steunleerkracht voor een kind met Downsyndroom een gemotiveerd, geïnteresseerd en enthousiast iemand is, die ook wat van ouders aan wil nemen. Verder kan in de eerste jaren een deel van de extra formatie natuurlijk uitstekend gebruikt worden voor het werken aan de hand van Kleine Stapjes, waarbij de activiteiten thuis en op school op elkaar worden afgestemd. Het is dan natuurlijk wel nodig dat de betreffende leerkrachten goed op hun nieuwe taak worden voorbereid, bijvoorbeeld door het deelnemen aan informatiedagen over onderwijs, zoals die regelmatig door de SDS georganiseerd worden, en door zich te laten informeren door ouders en eventueel een ambulant begeleider.

Verder moet hier worden opgemerkt dat ouders zowel als steunleerkrachten er naar zouden moeten streven dat het kind met Downsyndroom in het basisonderwijs met het aanleren van nieuwe concepten zo veel mogelijk steeds een weinig vooruit is op de rest van de klas. Alleen dan kan het kind profiteren van dubbele uitleg. Wanneer het kind namelijk al achter is bij de klas is de eerste klassikale uitleg waarschijnlijk grotendeels verloren tijd en zal het geheel op de steunlessen moeten terugvallen. Een dergelijke optie – het thuis en in de één-op-één begeleiding vooruit lopen op de groepsinstructie – vereist een zeer goede communicatie tussen school en ouderlijk huis.

Deze optie is overigens lang niet voor ieder kind met Downsyndroom haalbaar. In het geval dat dit niet zo is, zal er voor het kind bij alle of sommige vakken een eigen programma moeten worden gemaakt. Wanneer het kind een ander programma volgt dan de rest van de klas is het zaak dat de één-op-één begeleider taakjes voorbereid met de leerling die deze zelf bij het zelfstandig werken in de klas kan afmaken of nog een keer kan doen. Waar mogelijk moet ook dan gezocht worden naar enige overlapping met de onderwerpen waarmee andere kinderen bezig zijn.

Reacties plaatsen niet mogelijk