SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
SDS info (voor donateurs)SDS persberichten

Fotoalbum

Wat kan een leraar verwachten van een kind met Downsyndroom

Wat betreft gedragsregels moet het uitgangspunt zijn dat je ernaar streeft dat dezelfde regels gelden voor het kind met Downsyndroom als voor klasgenoten. Het kan wel meer tijd kosten om het kind de regels aan te leren. Maak regels expliciet voor het kind en ga er niet vanuit dat het die vanzelf wel oppikt. Visuele ondersteuning – het aan te leren gedrag uitleggen aan de hand van een getekend verhaal – kan goed daarbij helpen.

Houd er rekening mee dat kinderen met Downsyndroom vaak wat moeite hebben met omschakelen van de ene naar de volgende activiteit. Het kind kort tevoren er even persoonlijk op wijzen dat het omschakelingsmoment eraan komt (‘maak deze ene som af en dan gaan we in de kring’) maakt het voor het kind gemakkelijker zich los te maken.

Als er gedragsproblemen ontstaan dan is het belangrijk om goed te observeren in welke situaties deze ontstaan en in welke situaties er juist geen problemen zijn. Precies observeren en niet te snel conclusies trekken is cruciaal. Deze benadering is natuurlijk niet specifiek voor Downsyndroom.
Je moet een nauwkeurig beeld hebben van: wat ging er aan het probleemgedrag vooraf; wat doet het kind precies; hoe reageert de omgeving (leerkracht en klasgenoten)?
Vervolgens moet je je afvragen wat de functie van het gedrag voor het kind zou kunnen zijn (bijvoorbeeld: ‘vermijden van eisen’; ‘veel aandacht ervoor krijgen’).
Op grond hiervan kun je proberen het gedrag te veranderen: door het kind een acceptabel alternatief gedrag aan te leren; door de aanleiding te veranderen; door de reacties van de omgeving op het gedrag te veranderen. Voor meer informatie over deze systematische benadering, zie ook: het maken van een ABC-analyse.

Wat betreft leergedrag geldt voor kinderen met Downsyndroom nogal eens dat dit niet optimaal is: kinderen kunnen veel energie besteden aan het vermijden van als moeilijk ervaren eisen. Het is belangrijk niet zonder meer toe te geven aan dit vermijdingsgedrag, maar kleinere stapjes in te bouwen, meer ondersteuning te geven, en eventueel met een duidelijke beloning te werken. Het inbouwen van keuzemomenten, wat betreft het werkje wat een kind moet doen (geen onbeperkte keuze, maar een keuze tussen een paar dingen), of ook binnen een taak (bijvoorbeeld wat betreft de kleur van het potlood dat het gebruikt) maakt kinderen vaak meer coöperatief.

Reacties plaatsen niet mogelijk