SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
 SDS info (voor donateurs) SDS persberichten

Fotoalbum

De praktijk in het regulier Voortgezet Onderwijs

VMBO-scholen die de uitdaging durven aan te gaan, eisen meestal een bepaald leesniveau, van zegge minimaal avi-5, niet per se op tempo, maar wel zo dat de leerling een schriftelijke opdracht kan uitvoeren. Daarbij moet het kind in enige mate zelfstandig kunnen werken. In voldoende mate kunnen communiceren (het kind moet opdrachten kunnen begrijpen en zich kunnen uiten) wordt ook vaak als eis gezien. Verder moet het kind zich kunnen redden in de schoolgebouwen, daar de weg kunnen vinden, of dat in ieder geval kunnen leren.
Van scholen vraagt het: goed onderling overleg tussen mentor en docenten én tussen school en ouders, gezond verstand, de bereidheid om – waar nodig – aangepast materiaal te gebruiken en de openheid om van ervaringen elders te leren. In de praktijk valt de werkelijkheid scholen vaak mee vergeleken bij de angstvisioenen die ze er van te voren over hadden.
Het is belangrijk dat er binnen de school een vast aanspreekpunt is, al was het alleen maar omdat daar de ‘teams’ zoveel groter zijn. Deze persoon coördineert, én leerkrachten, leerlingen, de leerling met Downsyndroom en de ouders kunnen haar of hem aanspreken. Deze persoon moet over goede communicatieve eigenschappen beschikken en serieus worden genomen door haar of zijn collega’s.
In principe is het uitgangspunt wat betreft de lessen: zo gewoon mogelijk meedoen. Vervolgens wordt gekeken waar er aangepast materiaal of aangepaste opdrachten nodig zijn.
Een aantal voorbeelden van aangepaste werkbladen voor aardrijkskunde en geschiedenis zijn te vinden op de website van de SDS.

Verder is er aangepast lesmateriaal voor het voortgezet onderwijs te vinden in de bibliotheek/orthotheek van het Seminarium voor Orthopedagogiek (Hogeschool van Utrecht). Deze is geopend maandag tot en met vrijdag van 9.00 uur tot 17.30 uur. Het is aan te bevelen vooraf even telefonisch te informeren of er iemand is die kan helpen: 030 – 2547380 (Dianne Munnik, ma/di). Bij het zoeken naar aangepast materiaal moet je (leerkracht, mentor of begeleider) wel enige kennis hebben van de vaardigheden van de betreffende leerling. Leerlingen met Downsyndroom zijn niet allemaal hetzelfde. Het heeft natuurlijk weinig zin om een leerling werk te geven dat ofwel ver onder ofwel ver boven zijn of haar begripsniveau ligt. Overleg als leerkrachten of mentor hier zo nodig over met de ouders. Deze kennen hun kind goed.

Het sociale proces binnen de school moet goed worden begeleid. Leer als mentor of begeleider de leerling met Downsyndroom de regels en routines binnen de school expliciet aan. Geef duidelijke richtlijnen voor gedrag. Dat is niet een eenmalige uitleg. Gaande de weg zul je vanzelf nieuwe uitdagingen tegenkomen. Net als andere leerlingen zal de leerling met Downsyndroom door de puberteit heengaan. Hij of zij zal moeten leren omgaan met wisselende stemmingen, verhouding tot gezag en relaties met het andere geslacht. Als mentor, en als ouder, zul je de leerling hierin moeten begeleiden. Dat is niet zo heel anders dan bij andere leerlingen, maar je moet er in dit geval extra goed opletten dat je de betreffende leerling duidelijke richtlijnen voor zijn of haar gedrag geeft. Soms kan inoefenen in een rollenspel hierbij behulpzaam zijn. De medeleerlingen zullen ook enige uitleg moeten krijgen. Dat moet geen eenrichtingsverkeer zijn. Informeer ook naar hun ervaringen (zie hiervoor ook de eerdere paragraaf over ‘begeleiden van contacten met andere kinderen’). Als er aanpassingen worden gedaan voor de leerling met Downsyndroom, dan is het zaak om aan medeleerlingen uit te leggen waarom je deze redelijk vindt. Zonder uitleg kunnen zij het als ‘oneerlijk’ gaan beschouwen.
In de latere jaren van het voortgezet onderwijs moeten er geschikte stageplaatsen worden gevonden. Als school en ouders moet je met elkaar overleggen wat er bij deze leerling past, waar diens belangstellingen en mogelijkheden liggen. Natuurlijk zijn stages ook de gelegenheid om te onderzoeken in welke richting de leerling zich verder kan ontwikkelen. Iemand kan immers pas weten waar zijn of haar belangstelling ligt, als hij of zij voldoende gelegenheid heeft gekregen om ervaringen met werk op te doen.

In Down & Up 82 heeft een uitgebreide reportage gestaan over de integratie van een leerling met Downsyndroom op een school voor regulier voortgezet onderwijs.

Klik hier om door te gaan naar integratieklassen.

Klik hier om terug te keren naar de pagina voortgezet onderwijs.

Reacties plaatsen niet mogelijk