SDS Lokaal

Bezig met laden van kaart...

Bezig met laden

Nieuwsbrief

* Emailadres

* Relatienummer

* Postcode

* Huisnr

Lijst
SDS info (voor donateurs)SDS persberichten

Fotoalbum

Financiële Middelen in het regulier Voortgezet Onderwijs

Ook in het voortgezet onderwijs kan een ‘Rugzak’ worden aangevraagd. Verder zou je kunnen overwegen om gelden uit het PGB in te zetten op school. In het geval van een PGB staat het ouders vrij om gelden over te hevelen van de ene AWBZ-functie naar de andere. Dat wil zeggen: een indicatie voor bijvoorbeeld logeerhuis of hulp in de thuissituatie mag gebruikt worden voor begeleiding op school, als het bij die begeleiding maar primair gaat om extra toezicht (want in die vorm is het een AWBZ-functie).
In het geval van Downsyndroom wordt in het voortgezet onderwijs het bedrag van de ‘Rugzak’, op grond van een aparte aanvullende regeling, aangevuld tot 8.200 euro (voor extra personele inzet op school en materiaal én ambulante begeleiding tezamen). Zie hier voor informatie over het aanvragen van deze aanvullende regeling.

Een indicatie voor LeerWeg Ondersteunend Onderwijs (LWOO) of voor een Praktijkonderwijs (PRO) levert geen extra financiën op bovenop de ‘Rugzak’. In die gevallen wordt namelijk het extra bedrag dat een leerling ontvangt vanwege de LWOO- of PRO-indicatie gekort op de ‘Rugzak’. Zie de website 50tien-oudersenrugzak

Voor toelating tot de Praktijkschool is een indicatie vereist van de Regionale Verwijzingscommissie (RVC). Ouders kunnen deze indicatie niet zelf aanvragen, dat moet de Praktijkschool doen. De RVC gaat voor het Praktijkonderwijs uit van een IQ van 55 tot 80. De commissies mogen echter een beredeneerde afwijking toepassen én een kind dat niet voldoet aan de strikte criteria toch een indicatie geven. Daartoe zullen zij dan ouders en school moeten horen. Zo’n beredeneerde afwijking zal in de praktijk alleen worden toegepast als de betreffende school een onderbouwd verhaal heeft waarom deze leerling met Downsyndroom het meest profijt heeft bij plaatsing op deze school. We kennen een klein aantal leerlingen met Downsyndroom die op deze wijze zijn toegelaten tot het Praktijkonderwijs.

Voor plaatsing in een LWOO-klas op een gewone VMBO-school is geen indicatie vereist. LWOO is namelijk geen apart type onderwijs (zoals het Praktijkonderwijs), maar alleen maar een financiële regeling. Normaliter zullen scholen een dergelijke LWOO-indicatie aanvragen voor leerlingen in een LWOO-klas. In het geval van een leerling met Downsyndroom is dit echter niet zinvol. In het algemeen zullen leerlingen met Downsyndroom niet aan de IQ-normen voldoen. En, al zou dat wel het geval zijn: het extra LWOO-geld wordt automatisch in korting gebracht op de ‘Rugzak’. Dus een LWOO-indicatie levert niets extra’s op. Niet alle VMBO-scholen weten dit, maar het valt binnen de beleidsvrijheid van de school om een kind zonder een LWOO-indicatie in een LWOO-klas te plaatsen. Een leerling met Downsyndroom kan dus worden toegelaten als een gewone VMBO-leerling met ‘Rugzak’ en dan is het aan de school of het kind in een LWOO-klas of in een reguliere VMBO-klas wordt geplaatst. Voordeel van het eerste is de kleinere groep, voordeel van het tweede is dat er minder leerlingen met gedragsproblemen in de groep zullen zitten.

Klik hier om door te gaan naar de praktijk in het regulier voortgezet onderwijs.

Klik hier om terug te keren naar de pagina voortgezet onderwijs.

Reacties plaatsen niet mogelijk