De ‘Leidraad ...’ over hartafwijkingen

Bij 40-50 % van de kinderen met Downsyndroom komt een aangeboren hartafwijking voor. Dit betreft meestal een  AVSD (50 %) of een geïsoleerd VSD (28 %).  Een enkele keer zullen, ondanks het bestaan van een belangrijke hartafwijking, klinische symptomen hiervan ontbreken, waardoor de afwijking niet wordt herkend [4, 5] Ottenkamp en Harms, 1994, en Tubman et al., 1991). Hierdoor, en omdat irreversibele pulmonale hypertensie reeds in het tweede half jaar kan optreden, is verwijzing in de eerste levensmaanden van een kind met Downsyndroom naar een kinder-cardiologisch centrum sterk aan te bevelen. Screening kan het beste plaatsvinden na enkele maanden (kort na de geboorte wordt vaak een foramen ovale of een nog open ductus aangetroffen, hetgeen alleen maar extra onrust bij de ouders tweegbrengt).

De uiteindelijke resultaten van correctieve chirurgie worden door het Downsyndroom niet nadelig beïnvloed.

Het is gebleken dat mitraalklepprolaps vaak voorkomt bij volwassenen met Downsyndroom die daarbij geen symptomen hadden [6]. Het slappe bindweefsel dat voorkomt bij mensen met Downsyndroom is daar mogelijk een oorzaak van.


Advies 2

Een kindercardiologisch onderzoek dient in ieder geval in de 3e levensmaand te gebeuren, op indicatie eerder. Een onderzoek voor de derde levensmaand sluit een afwijking niet zeker uit en zal later moeten worden herhaald. Vanaf de jongvolwassen leeftijd dient wederom een cardiologisch onderzoek overwogen te worden.